Terug naar beginpagina

Naar de

9+ pagina

Gewoonweg Verdwenen

Greet Beukenkamp

Illustratie: Peter Paul Rauwerda

Wat vooraf ging: De herfstvakantie is begonnen. Als Marnix de school uitkomt, staat de auto van zijn vader langs de stoep. Zijn broertje en zusje zitten op de achterbank en roepen dat ze op vakantie gaan. Marnix heeft er helemaal geen zin in. Pap is de laatste tijd behoorlijk chagrijnig en gisteravond maakte hij alweer ruzie met mam. Onderweg hoort Marnix dat ze niet meegaat. Hij kan het zich wel voorstellen.

Tegen de avond wil pap de tent midden in een bos opzetten. Als dan ook nog eens blijkt dat hij de helft van de kampeerspullen is vergeten en maar voor een dag eten heeft meegenomen, wordt Marnix ongerust. Hij lijkt nogal overhaast te zijn vertrokken.

De volgende ochtend vroeg hoort Marnix de auto starten. Pap zegt dat hij even verse broodjes gaat kopen en wat andere spullen die hij vergeten is. Hij belooft over een uur terug te zijn.

 

Terwijl ze ongeduldig op pap wachten klimt de zon steeds hoger. Tegelijk wordt het warmer.

‘Ik heb dorst,’ zegt Max opeens.

‘Ik ook.’ Myrthes stem klinkt klagerig.

‘In de doos zit nog een halve fles cola,’ zegt Marnix zonder zijn ogen open te doen.

Max staat op. ‘Ik haal hem wel even.’

Myrthe springt overeind. ‘En dan jij zeker alles in je eentje opdrinken!’ roept ze.

Samen rennen ze om het hardst naar de tent. Myrthe is er het eerst. Ze duikt zo snel naar binnen dat de hele tent ervan staat te sidderen. Een ogenblik later verstoren hun ruziënde stemmen de vredige stilte van het bos.

Opeens klinkt er een gil. Marnix vliegt overeind. Wat zou er zijn? Als hij bij de tent aankomt, sleept Myrthe net de doos met eten naar buiten. ‘Waarom gilde je zo?’ vraagt hij nijdig.

‘Mieren!’ roept ze.

‘Waar?’

‘Hier in de doos. Ze zitten overal.’

Marnix ziet het meteen. De drie blikken zijn overdekt met de zwarte wriemelende beestjes. Ze zitten op de twee knakworstjes die nog over zijn, op het restje bonen en ook in het lege ananasblik.

‘Ze lusten ook cola,’ zegt Max. Hij houdt Marnix de fles voor. Rond de dop krioelt het van de mieren.

Marnix pakt de fles en veegt hem een paar maal door het gras. ‘Zo, die zijn weg.’ Hij schroeft de dop eraf en neemt een slok.

‘Gatver,’ griezelt Mythe, ‘dat je nog uit die fles wil drinken. Precies daar zaten die mieren met hun vieze pootjes. Misschien hebben ze er zelfs wel op gepoept.’

‘Of gepiest,’ giechelt Max.

Marnix haalt zijn schouders op en neemt nog een paar slokken.

‘Laat je nog wat voor ons over,’ zegt Myrthe.

‘Ik dacht dat je niet uit deze fles wilde drinken?’ plaagt Marnix.

‘Ik moet wel, want pap is de bekers vergeten,’ zegt Myrthe zuur. Ze steekt haar hand al naar de fles uit, maar Max is haar voor. Hij zet hem meteen aan zijn mond. ‘Mmm, cola met mierenpies,’ zegt hij zijn lippen aflikkend.

Terwijl Myrthe de rest van de cola opdrinkt, onderzoekt Marnix het andere eten in de doos. Op de slakrop ziet hij geen mieren en ook niet op de zak met appels, de jam en de vruchtenyoghurt, maar als hij het brood bekijkt, ziet hij dat er mieren in de plastic zak rondlopen. ‘Hoe kan dat nou?’ Hij bekijkt de zak van alle kanten. Dan ziet hij het gat. Het zit niet alleen in het plastic, maar ook in het brood. ‘Muizen!’ roept hij.

Myrthe springt achteruit. ‘Waar?’ gilt ze.

‘Nergens, maar vannacht hebben ze wel van het brood gegeten.’ Marnix kijkt opnieuw in de doos. ‘En van de kaas ook.’ Hij houdt een kapot plastic zakje omhoog waar nog een paar aangevreten plakjes kaas in zitten.

‘Zijn die muizen vannacht in de tent geweest?’ Myrthe rilt.

‘Dat moet wel,’ zegt Marnix. ‘Ik heb vannacht tenminste iets horen rondscharrelen.’

‘Jasses.’ Myrthe rilt opnieuw. ‘Ik ben blij dat we straks naar een camping gaan, want ik ben niet van plan om hier nóg een nacht te blijven.’